Behandelmethoden in de cognitieve revalidatie

In de cognitieve revalidatie worden volgende behandelmethoden courant gebruikt:

1.           psycho-educatie

2.           functietraining

3.           vaardigheidstraining

4.           strategietraining

5.           omgevingsaanpassing. We lichten ze even toe:

 

Psycho-educatie

Functietraining

Vaardigheidstraining

Strategietraining

Omgevingsaanpassing

De noodzaak van maatwerk

 

 

Psycho-educatie

Met de term psycho-educatie bedoelen we hier het geven van:

 

  • informatie: bijvoorbeeld over de aard van de stoornissen, de gevolgen voor het dagelijks leven, mogelijke behandelmethodes e.d.m.

  • educatie: de cliënt helpen om zich de gegeven informatie eigen te maken

  • begeleiding / emotionele ondersteuning.

(Werkgroep Richtlijn voorlichting CVA Friesland, 2002)

Psycho-educatie kan gegeven worden aan de cliënt en aan zijn familie/omgeving. Het is iets dat best niet eenmalig gebeurt, maar op verschillende tijdstippen in het revalidatieproces. De behoeften met betrekking tot informatie en begeleiding variëren immers sterk naargelang de fase van de revalidatie. In de acute fase is er meestal veel behoefte aan educatie over het ziektebeeld, de behandeling ervan en de prognose (vaak moeilijk te geven!). Later in de revalidatie wordt meer en meer duidelijk welke beperkingen een blijvend karakter hebben en is er nood aan gesprek over het omgaan met die blijvende beperkingen. Nog later komen zaken als reïntegratie, dagbesteding, het hulpaanbod-voor-de-lange- termijn en dergelijke vaak meer aan bod. (Ponds, van Heugten, Fasotti, & Wekking, 2010)

Tip:

Educatie geef je best niet enkel mondeling. De meeste mensen kunnen niet zo veel onthouden van wat je hen vertelt. De hoeveelheid onthouden informatie neemt sterk toe als je je verhaal ondersteunt met tekeningen, schema’s of een voldoende eenvoudige tekst.

Je kan ook collega’s/teamleden educatie geven over zaken waar zij misschien wat minder in thuis zijn, maar die er toch toe doen.

 

 

Functietraining

Onder de term functietraining verstaan we hier het geven van allerhande oefeningen die tot doel hebben een bepaalde cognitieve functie te verbeteren. Vaak gaat het om computeroefeningen, pen- en papiertaken of spelletjes met een ‘cognitief karakter’ (bijvoorbeeld puzzels, quizvragen, …).

De onderliggende idee is dat herstel van cognitieve functies kan plaatsvinden door herhaalde oefening en stimulering, zoals dat bij spieren het geval is. Maar we schreven het reeds eerder: hoewel het erg logisch lijkt dat dit soort training cliënten vooruit kan helpen, blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat de cliënt er meestal helemaal niet mee gebaat is. (Enkel met betrekking tot aandachtsstoornissen zijn er tegenstrijdige onderzoeksresultaten gevonden.) Het grote probleem bij dit soort training is dat enkel de geoefende taak (of heel verwante taken) erdoor verbeteren, maar dat er geen generalisatie optreedt naar het dagelijks leven.

De veronderstelling dat een cognitieve functie (bijvoorbeeld het geheugen) verbetert door de cliënt activiteiten te laten uitvoeren die sterk beroep doen op deze functie, blijkt dus niet te kloppen. Je geheugen wordt niet beter door geheugenspelletjes te doen (en ook niet door computeroefeningen). (Ponds, van Heugten, Fasotti, & Wekking, 2010; Powers Dirette & Gutman,, 2020; McHugh, 2017)

Nochtans wordt dit soort trainingen nog veel gegeven. Deels uit onwetendheid (het lijkt immers logisch dat oefenen helpt en men laat zich misleiden door het gegeven dat de geoefende taak vaak steeds beter wordt uitgevoerd), maar jammer genoeg ook omdat het nu eenmaal een ‘gemakkelijke’ vorm van therapie is. Het is weinig arbeidsintensief. En heel wat cliënten zijn goed gemotiveerd voor dit soort oefeningen, omdat ze denken dat het hen zal helpen.

Voorlopig is er echter nog maar weinig geweten over de manier waarop we door middel van therapeutische oefeningen het functioneren van onze hersenen kunnen beïnvloeden en cognitieve stoornissen kunnen verminderen. Goede cognitieve revalidatie dient zich momenteel dus vooral te richten op het verminderen van de gevolgen van deze stoornissen, bijvoorbeeld door het geven van vaardigheids- of strategietraining.

(Ponds, van Heugten, Fasotti, & Wekking, 2010)

 

 

Vaardigheidstraining

Het begrip vaardigheidstraining verwijst naar het trainen van specifieke taken en activiteiten.

Het verschil met functietraining is dat men niet poogt om de onderliggende cognitieve functies te verbeteren. Het doel is gewoon het verbeteren van de taak zélf.

Vaak bestaat een vaardigheidstraining uit het veelvuldig oefenen en automatiseren van een activiteit, met een geleidelijk opbouwen van de moeilijkheidsgraad en afbouwen van de mate van hulp en begeleiding. Daarbij is het soms nodig dat de cliënt de activiteit ànders leert uitvoeren dan vroeger (bijvoorbeeld met een stappenplan of op een eenvoudigere manier).

Opmerking:

Bij het aanleren van een vaardigheid of strategie kunnen pictogrammen (eenvoudige tekeneningen die de instructie weergeven) soms nuttig zijn. Onderzoek van Houts e.a. (Houts, Witmer, Egeth, Loscalzo, & Zabora, 2001) toonde aan dat een groep cliënten (gezonde mensen met een laag leesniveau) slechts 14% van de informatie kon onthouden bij mondelinge instructie. Maar ze onthielden 85% indien er bij die instructie pictogrammen gebruikt werden. (Ponds, van Heugten, Fasotti, & Wekking, 2010)

Vier leerfasen

Vaardigheidstrainingen kunnen erg effectief zijn indien ze met kennis van zaken worden gegeven.

Soms klagen ergotherapeuten wel eens dat cliënten bij hen in therapie vanalles hebben geleerd, maar dat achteraf niet meer toepassen. Dat kan te maken hebben met een te weinig zorgvuldige opbouw van de training. Als je wil dat je cliënt het geleerde ook daadwerkelijk toepast en blijft toepassen buiten de therapie, is het nuttig te beseffen dat leren meestal traag tot stand komt en in verschillende fasen verloopt.

 

Voor meer informatie over de 4 leerfasen, klik hier

Aanleren van een vaardigheid

Via ‘Foutloos leren’ of leren door ‘trial and error’?

Cliënten met cognitieve problemen leren doorgaans het snelst door foutloos leren (‘errorless learning’, soms ook aangeduid met de term ‘direct instruction’). De therapeut geeft duidelijk aan wat de cliënt moet doen (verbaal of door het voor te doen) en begeleidt hem tijdens de uitvoering zodanig dat fouten vermeden worden of in ieder geval onmiddellijk gecorrigeerd.

Voor meer informatie over foutloos leren, klik hier

Foutloos leren staat sterk in contrast met een andere leerstrategie: de trial and error-methode (ook wel ‘learning from consequences’ of ‘leren door gissen en missen’ genoemd). Bij ‘trial and error’ brengt de therapeut de cliënt in een situatie waarin hij tot leren kan komen door te experimenteren met gedrag en daaruit dan conclusies te trekken. De therapeut neemt een observerende rol aan en geeft de cliënt eventueel feedback over de fouten die hij ziet.

Deze leerstrategie wordt regelmatig gebruikt in de revalidatie. De onderliggende veronderstelling is dat de cliënt kan leren uit zijn fouten. Onderzoek wijst echter uit dat de trial and error-methode het leerproces wel verdiept bij cliënten met goede cognitieve mogelijkheden maar niet effectief is voor cliënten met flinke cognitieve problemen! (Sohlberg & Turkstra, 2011)


 

Strategietraining

Net zoals bij een vaardigheidstraining, worden er bij een strategietraining met de cliënt activiteiten uitgevoerd, maar hij leert hierbij compensatiestrategiën te gebruiken die hem ook bij andere activiteiten van pas kunnen komen. Het leren inzetten van strategieën om in diverse situaties beter met de stoornissen om te kunnen gaan, staat in deze training dus centraal. Generalisatie van het geleerde is hier dus noodzakelijk.

Er zijn twee soorten compensaties mogelijk:

  • externe compensaties: hulpmiddelen zoals een agenda, kalender, stappenplan, bepaalde apps,…

  • interne strategieën: bijv. stille zelfinstructie, mnemotechnische middeltjes om informatie beter te kunnen inprenten, metacognitieve strategieën om meer doordacht te handelen en de eigen resultaten te monitoren…

 

Strategietraining kan een heel goede manier zijn om aan cognitieve revalidatie te doen. Voorwaarde is wel dat de cliënt nog over voldoende cognitieve mogelijkheden beschikt om ze aan te leren. Interne strategieën gebruiken is vaak niet zo eenvoudig, maar ook externe strategieën kunnen niet aan iedereen aangeleerd worden.

Net zoals bij een vaardigheidstraining is het hier belangrijk goed na te denken over de te gebruiken instructiemethode (foutloos leren of trial and error, het bevorderen van een actieve betrokkenheid, distributed practice, …).


 

Omgevingsaanpassing

Omgevingsaanpassing is vaak een heel effectieve behandelmethode. Misschien wordt er soms te weinig gebruik van gemaakt. Het grote voordeel van omgevingsaanpassing is dat het ook gebruikt kan worden bij cliënten met heel ernstige cognitieve problemen. (Dat is bij strategietraining niet het geval.)

In WZC Ter Elst draagt al het personeel duidelijke naamkaartjes. Zo moeten de bewoners nooit raden naar namen. En bij elke kamerdeur hangt een foto van de bewoner, zodat het voor de bewoners gemakkelijker wordt om hun kamer terug te vinden.

Opmerking: het gebruik van apps voor smartphones en tablets in de revalidatie.

De laatste tijd worden steeds meer apps ontwikkeld die een cliënt kunnen helpen bij het compenseren van zijn cognitieve problemen. Deze apps kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden in een vaardigheidstraining (bv. “Scene speak” voor het ontwikkelen van stappenplannen), een strategietraining (bv. het leren gebruiken van “ColorNotes-To do Lists”) of omgevingsaanpassing (bv. “Pushbullet”, een app die het een mantelzorger mogelijk maakt vanop afstand een reminder te laten verschijnen op de tablet van de cliënt.

Er is nog onvoldoende wetenschappelijk onderzoek verricht om te kunnen beoordelen hoe effectief het gebruik van apps op tablets/smartphones is bij cognitieve stoornissen. Je zal als ergo dus zelf moeten proberen te beoordelen of het gebruik van een tablet een meerwaarde kan bieden voor je cliënt.

 

Volgende overwegingen kunnen je helpen bij het nemen van deze beslissing (Unit NAH van het UZ Gent, 2014):

  • Een tablet kan meerdere neuropsychologische functiestoornissen tegelijk ondersteunen: oriëntatie, amnesie, executieve functiestoornissen, afasie, etc. De tablet kan dienen als GPS, agenda, notitielijstje, kookboek, dagboek, pager, communicatierooster, ..., etc. Hierdoor ondersteunt één toestel, een groot aantal activiteiten.

  • De tablet kan breed ingezet worden bij geheugenstoornissen, aangezien een tablet de mogelijkheid heeft om alarmen en herinneringen in te stellen.

  • In het straatbeeld duiken heel wat tablets op. Het gebruiken van een tablet is dan ook minder stigmatiserend dan andere hulpmiddelen voor cognitieve stoornissen (vb.: een neuropager of een communicatieboek).

  • Wanneer de cliënt geen tussenkomst voor (cognitieve) hulpmiddelen kan krijgen via het VAPH, kan de kostprijs voor hulpmiddelen erg hoog worden. Een tablet is meestal een stuk goedkoper dan de gebruikelijke cognitieve hulpmiddelen op de markt (vb.: neuropager). 

  • Het gebruik van de tablet als ondersteuningsmiddel bij cognitieve stoornissen, is niet voor elke cliënt geschikt. De belangrijkste contra- indicatie is het leervermogen. De cliënt moet meestal in staat zijn om de tablet/apps/… bij verschillende activiteiten en in uiteenlopende situaties te gebruiken.

 

De Unit NAH van het UZ Gent ontwikkelde een knappe handleiding die kan helpen bij het adviseren van een geschikte smartphone/tablet en het vinden van nuttige apps: “Applied apps: handleiding voor tabletgebruik bij personen met cognitieve stoornissen, na een NAH” (Unit NAH van het UZ Gent, 2015), gratis te downloaden op: https://dl.dropboxusercontent.com/u/12955224/Applied%20Apps/index.html.

Daarnaast werd recent ook een website ontwikkeld (www.geletandem.be) die

een platform wil zijn waar ergo’s hun ervaringen met apps kunnen delen.

        

 

De noodzaak van maatwerk

Er is eigenlijk niet zomaar een antwoord te geven op de vraag hoe je iemand met geheugenproblemen of met executieve functiestoornissen moet behandelen. Doe je dat best met een strategietraining? Of met een vaardigheidstraining? Of richt je je beter op het aanpassen van de omgeving? Het hangt van veel factoren af... Goede revalidatie is geen kwestie van ‘train and hope’, maar is doordacht maatwerk.

In de volgende paragrafen beschrijven we waar je zoal rekening mee moet houden bij het uitdenken van een behandelplan.

 

De mate van ziekte-inzicht

 

De mate waarin een cliënt besef heeft van zijn problemen bepaalt sterk je mogelijkheden als therapeut. Bij de planning van de revalidatie moet je dan ook veel rekening houden met het ziekte-inzicht van de cliënt.

Daartoe is het eerst en vooral belangrijk goed in te kunnen schatten hoeveel ziekte-inzicht de cliënt heeft. (Het is niet omdat de cliënt zégt dat hij geheugenproblemen heeft dat hij ook volledig de draagwijdte van die problemen beseft, merkt hoe ze hem hinderen in zijn dagelijks leven en weet hoe hij er op kan anticiperen…) Indien dat ziekte-inzicht beperkt blijkt te zijn, kan het nuttig zijn om eerst en vooral dààr aan te werken. En wanneer je vaststelt dat je cliënt er nooit in zal slagen om volledig ziekte-inzicht te bereiken (dat is vaak het geval), moet je daar rekening mee houden bij de keuze van je behandelmethode.

 

Belangrijk in dit verhaal is, dat de mate van ziekte-inzicht in grote mate bepaalt wat de revalidatiemogelijkheden van de cliënt zijn.

 

 

Het inschatten van het niveau van ziekte-inzicht van je cliënt

 

Om een juiste behandelstrategie te kunnen bepalen, moet je dus weten hoeveel ziekte-inzicht je cliënt heeft met betrekking tot de problemen die je wil aanpakken. Hoe kom je dat te weten? Er is tot op heden nog niet genoeg wetenschappelijk onderzoek gedaan naar het diagnosticeren van problemen met ziekte-inzicht. Voorlopig blijft het dus een beetje ‘behelpen’… Maar wie goed kijkt en luistert naar de cliënt, kan toch al veel te weten komen:

 

1. Anamnese

 

Door zorgvuldig te luisteren naar het verhaal van je cliënt, hem te vragen naar zijn problemen, de oorzaken ervan, zijn manier om er mee om te gaan, zijn toekomstverwachtingen,… kan je al een zekere inschatting maken van zijn ziekte-inzicht.

Van Schouwen (2009) raadt in dit verband aan om eerst heel open vragen te gebruiken (om te beoordelen in hoeverre de cliënt inzicht heeft zonder hierbij hulp te krijgen). Nadien kan je meer gesloten vragen gebruiken, die heel specifiek naar bepaalde aspecten vragen. (Vaak krijg je dan meer gedetailleerde en correctere antwoorden).

Als Johan (die al 10 jaar lijdt aan schizofrenie) je vertelt dat hij enkel nog maar naar de supermarkt gaat op de rustige uren, omdat hij de drukte en de stress aan de kassa’s niet kan verdragen, dan zegt dat iets over zijn ziekte-inzicht.

Wellicht heeft hij anticiperend ziekte-inzicht met betrekking tot zijn problemen met spanning en drukte.

Maar trek ook niet te snel conclusies… Gaat hij op rustige uren naar de winkel omdat hij heel goed beseft dat hij niet tegen die drukte kan en hierop anticipeert? (Gaat het dus om anticipatory compensation?) Of doet hij dat gewoon omdat zijn vorige therapeut hem dat aangeleerd heeft? (Situation compensation.) In dat laatste geval is het helemaal niet zeker dat hij anticiperend ziekte-inzicht heeft.

 

 

2. Vragenlijsten

Er bestaan ook vragenlijsten om het ziekte-inzicht te beoordelen, bijvoorbeeld:

  • het Self-Awareness of Deficits Interview van Fleming, Strong en Ashton (1996)

  • het Medical Records Review van Sohlberg en Mateer (2001)

  • de Self-Regulation Skills Interview (SRSI) van Ownsworth, McFarland en. Young (2000) (-> zie bijlage in deze cursus)

 

Daarbij worden de antwoorden van de cliënt vergeleken met die van een betrouwbare andere bron (partner, collega, eigen observaties, testresultaten,…) om het ziekte-inzicht te beoordelen.

Let wel op:

  • soms zijn de antwoorden van ‘de derde partij’ ook niet betrouwbaar

  • genoeg;

  • meestal beoordeel je op deze manier enkel het intellectueel ziekte-inzicht van de cliënt;

  • de manier waarop de vragen gesteld worden, heeft flink wat invloed op de kwaliteit van de antwoorden (bijv. open of gesloten vraagstelling).

(Van Schouwen, 2009)

3. Observaties

 

Je kan ook heel wat te weten komen door de cliënt een tijdlang goed te observeren in uiteenlopende situaties. Je kan naar het gewone dagelijks handelen van de cliënt kijken, maar het kan ook leerrijk zijn om de cliënt een opdracht te geven waarbij hij geconfronteerd wordt met zijn beperkingen en dan te kijken hoe hij daarmee omgaat. 

Voor meer informatie over hoe je kan proberen het ziekte-inzicht van je cliënt te verhogen, klik hier.


 

4.2.2     De aard van de cognitieve stoornissen

Naast het ziekte-inzicht van de cliënt, bepaalt ook de aard van zijn stoornissen welke behandelaanpak de beste is. Iemand met aandachtsstoornissen heeft een andere behandeling nodig dan iemand met geheugenstoornissen. Dat spreekt voor zich.

 

4.2.3     De leerbaarheid van je cliënt

4.2.3.1 Welke behandelmethode bij welke cliënt?

Jill liep ernstig hersenletsel op bij een verkeersongeluk. Ze heeft executieve functiestoornissen, waardoor ze er ondermeer niet meer in slaagt zelfstandig haar ochtendtoilet uit te voeren. Zo’n executieve functiestoornissen kan je soms goed compenseren door gebruik te maken van stappenplannen. Maar niet bij Jill: zij heeft zo’n ernstige cognitieve problemen dat ze er niet in slaagt het nut van een stappenplan te begrijpen en het systematisch af te werken.

Cognitieve revalidatie vraagt meestal om de één of andere vorm van ‘leren’ bij de cliënt, terwijl net het orgaan dat verantwoordelijk is voor dat ‘leren’ (het brein) beschadigd is of slechter functioneert. Ook daar moet je rekening mee houden bij het ontwikkelen van je behandelplan.

Ronald heeft geheugenstoornissen ten gevolge van een CO-intoxicatie. De ergo wil hem leren de hele dag door een agenda te gebruiken. Ronald begrijpt het nut van zo’n agendagebruik en kan – mits voldoende herhaling - aangeleerd krijgen hoe hij dat best doet. Een goede agendatraining is prima therapie voor hem.

 

 

Mia heeft geheugenstoornissen ten gevolge van dementie. De ergo kan haar ook agendatraining geven, maar door de ernst van haar cognitieve problemen zal ze er nooit in slagen te bedenken wat ze in haar agenda moet schrijven, ze zal de juiste bladzijde niet vinden, niet begrijpen wat er geschreven staat, … Agendatraining helpt haar niets vooruit.

 

Eerder in deze cursus bespraken we de behandelmethodes die courant gebruikt

worden in de cognitieve revalidatie: educatie, functietraining, vaardigheidstraining, strategietraining en omgevingsaanpassing.

Bij de keuze van een behandelmethode dien je altijd rekening te houden met het

leervermogen van je cliënt:

1.           educatie: kan gegeven worden wanneer de stoornissen niet àl te ernstig zijn. De moeilijkheidsgraad moet natuurlijk aangepast worden aan het cognitief niveau van je cliënt.

2.           functietraining: wellicht slechts af en toe een goede keuze omwille van te weinig bewezen effecten (cfr. supra)

3.           vaardigheidstraining: kan vaak toegepast worden, ook bij cliënten met flink wat cognitieve problemen (mits gebruik van de juiste instructietechnieken).

4.           strategietraining: vraagt al heel wat meer van de cliënt, ondermeer omdat er heel wat generalisatie verwacht wordt. De cliënt moet de aangeleerde strategie immers in uiteenlopende situaties kunnen inzetten.

 

5.           omgevingsaanpassing: kan altijd toegepast worden (als de omgeving dat

ziet zitten tenminste…).

 

4.2.3.2 Welke instructiestrategie bij welke cliënt?

We bespraken het reeds eerder: hoewel de methode van ‘trial and error’ minder directief is en zodoende cliënt-vriendelijker lijkt dan ‘directe instructie’, is ze niet geschikt voor cliënten die niet meer vlot kunnen leren uit hun fouten.

 

Terug naar Jill die ten gevolge van ernstige executieve functiestoornissen niet in staat is haar ochtendtoilet zelfstandig uit te voeren… Haar dat weer proberen te leren via ‘trial and error’ is geen goed idee. Ze zal niet leren uit haar fouten en misschien ook wat ontredderd geraken door het gebrek aan sturing. Maar ook een stappenplan zal haar niet veel helpen omdat haar cognitieve mogelijkheden te beperkt zijn om het correct te volgen.

De enige aanpak die haar wellicht in staat stelt het ochtendtoilet uit te voeren is een begeleider die in haar buurt blijft en haar helemaal ‘door de activiteit heen praat’ (door haar bij elke deelactivteit te instrueren wat ze moet doen) en die onmiddellijk ingrijpt bij fouten. (Een stappenplan kan in dit geval wél nuttig zijn voor de begeleiders. Het is immers belangrijk dat Jill het ochtendtoilet elke dag op dezelfde manier kan uitvoeren.)

 

 

4.2.3.3 Het Cognitive Disabilities(-reconsidered) Model

 

Het Cognitive Disabilities Model is een nuttig instrument om de leerbaarheid van cliënten in te schatten en vandaaruit te bepalen welke behandelstrategie het meest geschikt is.

Het werd in de jaren ’80 ontwikkeld door Claudia Allen, ergotherapeute en vele jaren werkzaam bij psychiatrische patiënten, om de handelingsbeperkingen van deze patiëntengroep in te kunnen schatten. Later is men het model ook gaan gebruiken bij andere patiëntengroepen met cognitieve problemen, o.m. ten gevolge van Alzheimerdementie, een hersentrauma of een CVA. (Op de Beeck B.

, 2012)

Het CDM onderscheidt zes niveau’s van cognitief functioneren. Voor elk van deze

niveau’s geeft het model antwoorden op vragen zoals:

•            wat kan een cliënt die op dit niveau functioneert nog wél? Wat niet meer?

•            hoe kunnen we hem stimuleren?

•            zou hij nog alleen kunnen gaan wonen? Hoeveel begeleiding moeten we dan voorzien?

•            zou hij nog zelfstandig zijn medicatie kunnen nemen?

•            is deze cliënt gebaat met een vast dagprogramma? Zo ja, hoe zou dat er uit moeten zien?

•            heeft het nog zin om te proberen hem iets nieuw aan te leren? En zo ja, op welke manier moeten we dat dan aanpakken?

 

•            …

Opmerking:

Dit model is aan bod gekomen in de lessen Langdurige zorg.

 

4.2.4     Eventuele gedrags- en emotionele problematiek

Tot slot willen we er ook nog even op wijzen dat je bij het bepalen van je aanpak soms ook rekening moet houden met gedrags- en emotionele problemen.

Sommige cliënten zijn ten gevolge van hersenletsel bijvoorbeeld ontzettend ontremd en impulsief, anderen zijn juist heel apathisch of voelen zich te depressief om mee te werken aan de therapie.

Het leidt ons te ver om daar in deze cursus dieper op in te gaan, maar het is allicht duidelijk dat ook zulke problemen mee bepalend zijn voor de manier waarop de cognitieve revalidatie vorm gegeven kan worden.

Sonja heeft ten gevolge van frontaal hersenletsel enorm veel problemen met impulscontrole. Ze kan geen 10 minuten stilzitten, is vaak brutaal tegen haar therapeuten, maakt ruzie met andere cliënten… Daarom krijgt ze therapie op momenten dat er niemand anders in het ergolokaal zit en duurt die therapie ook niet langer dan 20 minuten.

 

 

Bart werd opgenomen met een ernstige psychose. Dankzij medicatie is die nu wat onder controle, maar er zijn ook vervelende bijwerkingen: Bart is erg suf en apathisch. Er wordt besloten wat te wachten met specifieke cognitieve revalidatie tot men zijn medicatie wat heeft kunnen afbouwen is en hij weer wat alerter is geworden.

 
 
 
 
 

© 2020 door Werkgroep Ergotherapie en Covid-19. Proudly created with Wix.com